Balckenende, Zelfbestraffing

ff. 427-428, Zelfbestraffing, 3 maart 1708


Eyghen zelfs bestraffingh ouer d’onbeleefde beiegheninghe 

ghedaen aen Joffrouw Margareta vander Speck

ghemalinne  van Seigneur Anthonius Balckenende haar vier

yzer altydt schoon en blinckende houdende op den 3 maert 1708


f. 427


wie vondt oydt vlecken inde zonn’? een dierb’re peirrel,

wie schendt haer waerde? wie acht ’t zinghen van een meirrel

meer als het aenghenaem ghezangh des naegtegaels?

wie derft de red licheydt bestryden met iedt kaels?

wie ondernemt een wit en effen ey te scheeren?

aen wie mishaeght het schoon, en ziet het morssigh geeren?

wie nemt de spieghel wegh, en stelt een roestigh bleck

in haere plaets? wie acht een wyse vrouwe geck?

wie pryst het vlaemsche vuyl, meer als het hollandts kuysschen?

wie houdt zyn onghelyck noch staen, met styf te bruysschen?

wie zit ghelyck een vorsch op een fluweele stoel,

die zigh niet beter vindt als in een vuyle poel?

wie kan het wys beleydt, der peirel van de vrouwen

beknibbelen? wie kan het zonnelicht aen schouwen

met zeerigh’ ooghen? wie aenziet het schoon, voor vuyl?

wie in de plaetse van een valck, behaeght den vuyl? [sic]

wie wroetelt geeren inde modder als een vercken?

wie isser zelue luy, en niet en magh zien wercken?

wie heeft van iedt dat hoogh ghepresen diendt, ghezeydt:

het is klaerklinckende en lauter sottigheydt?

keert

f. 428

Het is een boer, een beest, onkundigh met en reghel

der huysbestieringh; t’is een narr’ een lompen vleghel,

een geck in folio, een quast, een kruck, een vuyl,

een bock, een buffel, tis een rechte verckens muyl,

een los kop, een moey al, een snaeterbeck, een ezel,

een praetie bij, een mof, schyn heijligh als een quesel,

een snoefhaen, en een wraet, een slocker bouendien,

die op een ander smeert, als paepen, duyven, bien,

een grimuur, rimpel hooft, een kneuteraer, een knyser,

een kop veel harder, als het schoon ghewreuen yzer

der Joffrouw, die’t als glas zoo blinckende ghebruyckt.

ghy zyt niet waerdt, dat ghy eens aen haer briefie ruyckt,

ghy vuyl baert, tracht ghy niet de Ioffrouw aen te raeden,

om op zyn frans, het huys met schoppen en met spaeden

te kuysschen, als de vloer met vuyligheydt en str. .

light voeten hoogh? houdt dan uw’ snaeterighe mondt,

bekent uw’ schuldt, en toont leetwezen van ie [?] snappen,

of noyt en zal m’ u meer met grutt’ en geerste pappen.

zeght (of men ’t noch vergaf : al wat ick hebb’ ghezeydt,

het is klaerklinckende, en Lauter sottigheydt.

Laatst bewerkt: 17 september 2026 (wordt vervolgd).